1. Home
  2. Actueel
  3. Ouders blijven belangrijk bij voorkomen delinquentie adolescenten

Ouders blijven belangrijk bij voorkomen delinquentie adolescenten

Max Planck Institute for Foreign and International Criminal Law
Door Heleen Janssen Msc. | 18 januari 2016

Op vrijdag 22 januari verdedigde NSCR promovenda Heleen Janssen haar proefschrift, getiteld “Parenting, Criminogenic Settings and Delinquency”, in Utrecht.
De afgelopen jaren onderzocht Heleen bij het NSCR met behulp van data uit het SPAN project de relatie tussen opvoeding, rondhangen en delinquent gedrag in de adolescentie. Zij maakte in haar proefschrift gebruik van vernuftige analysetechnieken en een zeer rijke dataset, waar zeer nauwkeurig, van uur tot uur, en per 200 m in buurten was gemeten wat jongeren doen, en met wie. Ook was bekend hoe de relatie van jongeren met hun ouders is.
Het proefschrift van Janssen bouwt voort op bestaande kennis over de relatie tussen opvoeding en crimineel gedrag. Het vult die kennis aan omdat het laat zien welke rol ouders nog hebben als kinderen opgroeien en steeds meer uithuizig worden bij het beperken van nadelige omgevingsinvloeden. Uit eerder onderzoek was bekend dat jongeren in de adolescentie steeds meer vrijheid krijgen in de keuze voor hun tijdsbesteding: ze brengen minder tijd door met ouders, meer tijd met vrienden, en gaan ook aanmerkelijk meer rondhangen op straat. Onduidelijk was of ouders dan nog wel wat kunnen betekenen in het voorkomen van crimineel gedrag.
Uit het proefschrift van Janssen blijkt dat wanneer er sprake is van weinig monitoren door ouders (navragen waar adolescenten hun tijd doorbrengen), weinig grenzen stellen en een slechte ouder-kindrelatie, adolescenten duidelijk meer tijd doorbrengen in criminogene settings (d.w.z. locaties met veel wanorde, in afwezigheid van enige supervisie, en met hun leeftijdsgenoten). Ook blijkt het omgekeerde het geval: jongeren van wie de ouders meer monitoren, meer grenzen stellen en met wie de relatie van betere kwaliteit is, zijn minder betrokken bij crimineel gedrag, en dit kan deels verklaard worden doordat zij minder tijd rondhangen op criminogene locaties.
Echter, ouders kunnen mogelijk ook nog op andere manieren bijdragen aan het verminderen van crimineel gedrag, bijvoorbeeld via een gunstige invloed op de mate van zelfcontrole van jongeren, hun houding ten opzichte van delinquent gedrag en hun omgang met delinquente vrienden. Uit het proefschrift van Janssen blijkt dat ouderlijke monitoring, grenzen stellen en de ouder-kind relatiekwaliteit inderdaad ook een gunstig effect hebben op deze oorzakelijke factoren van delinquent gedrag. Gunstige opvoedingskenmerken blijken indirect, via deze factoren, van invloed te zijn op crimineel gedrag van adolescenten en veranderingen daarin. Als deze indirecte invloeden van ouders ook worden meegenomen in de analyse, blijkt het effect van ouders op crimineel gedrag via rondhangen op criminogene locaties niet meer zo’n grote rol te spelen.
Een tweetal artikelen uit dit proefschrift is reeds gepubliceerd (in European Journal of Criminology en British Journal of Criminology). In een vervolgproject bij het NSCR werd nog dieper ingegaan op de mogelijke beschermende rol die ouders kunnen spelen in het voorkomen van delinquent gedrag wanneer adolescenten tóch veel op straat rondhangen.
Janssen heeft inmiddels een aanstelling als post-doc onderzoeker bij het in Freiburg waar zij samen met prof. dr. Oberwittler het onderzoek naar buurtkenmerken en criminaliteit(sbeleving) zal voortzetten.
Bron: Heleen J. Janssen. Parenting, criminogenic settings and delinquency. Utrecht 2016.
Fotograaf: Maarten Nauw

Heleen Janssen Msc.

Deel dit artikel

Actuele berichten